plop-image17 plop-image13 plop-image20 plop-image6 plop-image18 plop-image8 plop-image12 plop-image19 plop-image16

Artikelindex

PERSBERICHT

Echt, 22 februari 2010

De VPPG, die de belangen behartigt van lokale politieke partijen en hun raadsleden, heeft samen met 14 kandidaat raadsleden de Staat der Nederlanden voor de rechter gedagvaard.

{rokbox title=|PLOP voorzitter Hans Wensing| thumb=|http://i4.ytimg.com/vi/OaG0uQ_PCvI/default.jpg| size=|560 340| album=|demo|}http://www.youtube.com/watch?v=OaG0uQ_PCvI{/rokbox}Aanleiding is de studie van prof. mr. A.Q.C. Tak van Bureau Bestuursjuridische Advisering B.V. Hij komt tot de conclusie dat het systeem van subsidiëring in de Wet subsidiëring politieke partijen (Wspp) strijdig is met een aantal grondrechten die neergelegd zijn in diverse verdragen, alsmede met het verbod van algemene beperkingen van grondrechten in de Grondwet van 1983. Ernstige twijfel bestaat voorts ten aanzien van de verenigbaarheid met organieke wetgeving als Kieswet en Gemeentewet.

(Klik op het plaatje voor een RTV Drenthe reportage)

 

De rechtmatigheid van de gemeenteraadsverkiezing wordt betwist!


Volgens de VPPG worden lokale partijen met het huidige Wspp regime benadeeld ten opzichte van hun landelijke concurrenten. De ongelijke kansen op lokaal niveau worden hierdoor verscherpt, hetgeen strijd oplevert met het beginsel van gelijke kansen (Chancengleichheit) en daarmee met artikel 26 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Op deze manier wordt de legitimiteit van de uitkomst van het politieke debat op lokaal niveau ondermijnd. Het passief kiesrecht voor kandidaten van lokale partijen wordt niet op gelijke voet behandeld met dat van kandidaten van hun landelijk opererende concurrenten.

De 14 dagers zijn:
J. van Agteren, kandidaat raadslid (lijsttrekker) Burgerbelangen Enschede; R. Barends, kandidaat raadslid (lijsttrekker) Lijst Barends Nijmegen; E. L. Bom, kandidaat raadslid (lijsttrekker) Inwonersbelangen Woerden; drs. B.G. Euser; kandidaat raadslid (lijsttrekker) Echt voor Albrandswaard; dr. G.K.E. Götz, kandidaat raadslid Betaalbaar & Duurzaam Vaals; W. Hoogendijk, kandidaat raadslid Gemeentebelang Bergambacht; T.P.E. van Kerkhof, kandidaat raadslid Gemeentebelangen Apeldoorn; H.B.G. Ketting, kandidaat raadslid Leefbaar Utrecht; V.H. Kloos, kandidaat raadslid (lijsttrekker) Onafhankelijke Partij Alkmaar; M.G.Th. Pastors, kandidaat raadslid (lijsttrekker) Leefbaar Rotterdam; D.M.L. Vuijk, kandidaat raadslid Breda'97; H. E.J. Wensing, kandidaat raadslid PLOP Assen; S.G. Wierda; kandidaat raadslid Lijst Barends Nijmegen en mevr. C.M.J.E.C. Wintraecken-van Banning, kandidaat raadslid VVD Lochem.

Namens de VPPG wordt de procedure gevoerd door:
Mevr. Prof. mr. E. Steyger en mr. F.A. Pommer van het advocatenkantoor Holla Poelman Van Leeuwen te s-Hertogenbosch, T: +31 (0)73 616 11 19
De dagvaarding is te verkrijgen via ing. A.J.G. Zinken voorzitter van de VPPG of via een van de 14 dagers.
___________________________________________________________________
Noot voor de redactie:
Voor meer informatie kan contact worden opgenomen met voorzitter Fons Zinken. Telefoon 0475-410205. Of via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 


DAGVAARDING

Heden, de tweeduizendtien
op verzoek van de VERENIGING MET RECHTSPERSOONLIJKHEID VAN PLAATSELIJKE POLITIEKE GEROEPERINGEN nader ook te noemen ‘VPPG’ – in deze gevestigd en kantoorhouden¬de Maasbrachterweg 81 (6101XV) te Echt, en de heren Johannes van Agteren wonende (7512 EE) te Enschede, aan de Mooienhof 309, Hans Engelbert Jan Wensing, wondende te (9407 CR) Assen, aan de Buitenes 5, dr. Georg Karl Eugen Götz, wonende te (6291 VV) Vaals, aan de Aan de Noot 5, Marcus Gerhardus Theodorus Pastors, wonende te (3009 AS) Rotterdam, Postbus 8734, Victor Hugo Kloos, wonende te (1811 CC) Alkmaar aan de Oudegracht 137, Hindrik Bonno George Ketting, wonende te (3451 VK Vleuten) aan de Rijnweide 12, Willem Hoogendijk, wonende te (2861 EK) Bergambacht aan de Dijklaan 19, Elias Leonard Bom, wonende te (3446 WJ) Woerden aan de Retsinagaard 6, Theodorus Peter Emanuel van Kerkhof, wonende te (7312 TS) Apeldoorn aan de Asselsestraat 381, drs. Bastiaan Gerrit Euser, wonende te (3161 BC) Rhoon aam de Oranje Nassaulaan 8, Dirk Machiel Lambertus Vuijk, wonende te (4851 CW) Ulvenhout, aan de Mgr. van Dijkstraat 3, Ramon Barends, wonende te (6538 RV) Nijmegen, aan de Zwanenveld 65-03, Sent Gerardus Wierda, wonende te (6542 VD) Nijmegen, aan de Tweede Oude Heselaan 161 en mevrouw Clementien Marie Julie Elfriede Carolien Wintraecken-van Banning, wonende te (7213 ET) Gorssel aan de Dommerholtsweg 2 – hierna te noemen ‘overige eisers’ – die te dezer zake domicilie kiezen aan het Stationsplein nummer 99-101 ten kanto¬re van Holla Poelman van Leeuwen advocaten (Postbus 396, 5201 AJ ’S-Hertogenbosch) van welk kantoor mw. prof. mr. E. Steyger en de heer mr. F.A. Pommer, die als hun advocaten zullen optreden, heb ik,

GEDAGVAARD

DE STAAT DER NEDERLANDEN (VERTEGENWOORDIGD DOOR HET MINISTEIRE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES), met zetel te Den Haag, mitsdien mijn exploot doende ter parkette van de Procureur –Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden aan het adres Kazernestraat nr. 52 te Den Haag, aldaar sprekende met en afschrift deze latende aan:

OM

op woensdag, de tweeduizendtien (2010), des voormid¬dags te 10.00 uur, niet in persoon doch vertegenwoordigd door een advocaat, te verschijnen ter open¬ba¬re civiele terechtzit¬ting van de Rechtbank te ’s-Gravenhage, die alsdan gehouden zal worden in één der lokalen van het Paleis van Justitie te ’s-Gravenhage aan de Prins Clauslaan 60, waarvan het postadres is Postbus 20302, 2500 EH ’s-Gravenhage;

MET UITDRUKKELIJKE VERMELDING

1. dat gedaagde(n) gewezen is/zijn op het bepaalde in artikel 111 lid 2 sub h en 1 jo artikel 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, welke bepalingen inhoudelijk hierop neerkomen dat gedaagde(n) op de bovengenoemde terechtzitting advocaat dient/dienen te stellen met inachtneming van de voorgeschreven termijnen en formaliteiten, bij gebreke waarvan de rechtbank de eis bij verstek zal toewijzen, tenzij deze de rechtbank ongegrond of onrechtmatig mocht voorkomen.

2. dat voorts voor het geval –blijkende uit dit exploot- er meer dan één gedaagde is, gedaagden gewezen zijn op de rechtsgevolgen die intreden indien de gedaagde niet op de voorgeschreven wijze in het geding verschijnt als vermeld in artikel 140 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, wat inhoudelijk hierop neerkomt dat tussen alle partijen één vonnis wordt gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak ten aanzien van alle betrokken partijen wordt beschouwd.

TENEINDE

Namens de VPPG en de overige eisers te horen eisen en concluderen

1. Inleiding en samenvatting van de feiten

1.1 De VPPG behartigt volgens artikel 2 van haar statuten de belangen van plaatselijke politieke groeperingen en hun raadsleden (productie 1). De VPPG behartigt op dit
moment de belangen van circa 200 lokale politieke partijen in Nederland. De VPPG onderstreept het belang van lokale politieke partijen. Een lokale politieke partij is volgens de doelstelling van de VPPG een partij of groepering, die slechts in één gemeente aan de gemeenteraadsverkiezingen meedoet en geen enkele binding heeft met een landelijke politieke partij.

1.2 De VPPG stelt zich in het algemeen tot doel om discriminatie van lokale politieke partijen op alle gebieden en meer in het bijzonder op het gebied van subsidiering op te heffen. De doelstelling wordt als volgt ingevuld:
1.1. De VPPG treedt desgevraagd of uit eigen beweging adviserend, coördinerend en stimulerend op als het gaat over de voorbereiding van wettelijke en andere maatregelen door de andere overheden;
1.2. de VPPG fungeert als spreekbuis voor de aangesloten partijen en raadsleden en vertegenwoordigt hen in verschillende overlegstructuren zoals de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG);
1.3. de VPPG voert overleg met landelijke, provinciale en andere overheden, alsmede met andere organisaties en instellingen, over aangelegenheden die haar leden raken;
1.4. de VPPG fungeert als vraagbaak bij praktische problemen. Leden kunnen aankloppen voor adviezen over vragen en problemen die zich voordoen in hun politieke praktijk;
1.5. de VPPG neemt ten behoeve van haar leden zitting in overheidscommissies c.q. adviesorganen en in besturen en commissies van andere organisaties en instellingen;
1.6. de VPPG organiseert, al dan niet in samenwerking met anderen, cursussen om de deskundigheid van lokale politici te bevorderen;
1.7. de VPPG organiseert jaarlijks een groot landelijk congres voor lokale partijen, met telkens een actueel thema. Op het congres is ruimte om de sprekers en collega-politici te ontmoeten en met hen van gedachten te wisselen;
1.8. de VPPG organiseert op regionaal niveau bijeenkomsten, trainingen en workshops;
1.9. de VPPG geeft een digitale Nieuwsbrief uit over actuele zaken en informatie over politieke thema’s;
1.10. de VPPG onderhoudt een website: www.vppg.nl;
1.11. de VPPG heeft een eigen wetenschappelijk bureau voor
politiekwetenschappelijke activiteiten ten gunste van de onafhankelijke
beweging.

1.3 De VPPG ontvangt voor haar activiteiten geen subsidie. Dat geldt evenmin voor de lokale politieke partijen die zij vertegenwoordigt. Politieke partijen die vertegenwoordigd zijn in de Tweede en Eerste Kamer der Staten Generaal ontvangen wel subsidie op grond van de Wet subsidiëring politieke partijen (Wspp). De praktijk wijst uit dat deze partijen een deel van hun subsidiegelden inzetten ten behoeve van hun lokale afdelingen.

1.4 De VPPG is van oordeel dat de Wspp-subsidie en de daaruit volgende praktijk een inbreuk opleveren op het recht op de uitoefening van het passief kiesrecht, het gelijkheidsbeginsel naar nationaal en internationaal recht en tevens een schending oplevert van het Gemeenschapsrecht.

1.5 De overige eisers zijn kandidaatleden voor diverse gemeenteraden en tevens leden van plaatselijk politieke partijen. Zij delen de mening van de VPPG en stellen zelf benadeeld te zijn in hun passief kiesrecht, nu zij niet op gelijke voet met kandidaten van landelijke politieke partijen die meedoen aan de gemeenteraadsverkiezingen, gelden ontvangen om hun verkiezing mogelijk te maken.

1.6 Teneinde deze ongelijkheden op te heffen, zien de VPPG en de overige eisers zich thans genoodzaakt zich in een procedure tegen de Staat tot uw rechtbank te wenden.

2. Juridisch kader

2.1 Het passief kiesrecht

2.1.1 Artikel 4 Grondwet (Gw) biedt iedere Nederlander gelijkelijk het recht de leden van
algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen, alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen. Deze bepaling sluit aan bij artikel 3 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en bij artikel 25 van het Internationaal Verdrag Inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Het kiesrecht is uitgewerkt in de Kieswet. Daarnaast bevatten de Gemeentewet en Provinciewet bepalingen over het kiesrecht op decentraal niveau. In het navolgende zal met name bij het kiesrecht op decentraal niveau worden stilgestaan.

2.1.2 Op grond van het passief kiesrecht kunnen alle Nederlanders van 18 jaar en ouder als vertegenwoordiger in een vertegenwoordigend orgaan van de Staat verkozen worden, behalve diegenen die zijn uitgesloten van het kiesrecht. Alleen bij wet in formele zin kunnen beperkingen en uitzonderingen worden gemaakt op het passief kiesrecht. Deze beperkingen en uitzonderingen zijn limitatief en dienen restrictief te worden uitgelegd.

2.1.3 Het kiesrecht betreft een bijzonder klassiek grondrecht. Het wijkt namelijk op een aantal punten af van de overige klassieke grondrechten. Zo kan het (passief) kiesrecht niet worden uitgeoefend zonder overheidsoptreden. De overheid zal verkiezingen moeten organiseren, ook op decentraal niveau en financieren. De Staat moet de mogelijkheid tot uitoefening van het passief kiesrecht niet alleen waarborgen, maar ook faciliteren. In zoverre bevat artikel 4 Gw een ‘instructienorm’ aan de Staat: telkens zal bij het in het leven roepen van een vertegenwoordigend orgaan, in beginsel moeten zijn voorzien in een ‘gelijkelijk’ toekennen van het actief en passief kiesrecht aan de vertegenwoordigden. Met het bestanddeel ‘gelijkelijk’ wordt in artikel 4 Gw tot uitdrukking gebracht dat iedere kandidaat die zich verkiesbaar stelt evenveel gewicht wordt toegekend. Iedere kandidaat verdient evenveel kans om gekozen te worden in een vertegenwoordigend orgaan (‘Chancengleichheit’). Alleen zo kan het primaire doel van het kiesrecht worden bereikt, namelijk een goede bezetting en functionering van vertegenwoordigende organen.

2.1.4 Het bijzondere karakter van artikel 4 Gw is ingegeven door het belang dat wordt toegekend aan politieke partijen. Zonder de activiteiten van politieke partijen is de uitoefening van het kiesrecht zo goed als onmogelijk. Politieke partijen vormen het hart van het stelsel van de representatieve democratie. Zij zijn de onmiskenbare schakel tussen overheid en samenleving (intermediaire functie). Het (voort)bestaan van politieke partijen is dan ook noodzakelijk voor het passief kiesrecht.

2.1.5 Dit is ook de grondgedachte geweest bij de totstandkoming van de Wet subsidiëring politieke partijen (Wspp) in 1999. In het belang van het democratisch bestel moeten politieke partijen hun functie naar behoren kunnen vervullen. Een gezonde financiële positie – zo is de gedachte – is hiervoor een basisvoorwaarde. Met subsidie krachtens de Wspp wordt beoogd daar een bijdrage aan te leveren. De behoefte aan financiële steun is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Politieke partijen hebben namelijk te kampen met dalende ledenaantallen en dus ook contributie-inkomsten enerzijds en een toename van de uitgaven voor met name verkiezingscampagnes, vorming, scholing, de bevordering van jongerenparticipatie, etc. anderzijds.

2.2 Wet subsidiëring politieke partijen

2.2.1 De Wspp is het gevolg van de verplichting krachtens artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om een wettelijke grondslag aan (structurele) subsidieverlening te geven. Op grond van de Wspp verstrekt de Minister subsidie aan politieke partijen die hebben deelgenomen aan de laatst gehouden verkiezingen voor de Tweede Kamer of Eerste Kamer der Staten Generaal met haar aanduiding boven de kandidatenlijst en aan de lijst waarvan daarbij een of meer zetels zijn toegekend. De politieke partij moet beschikken over ten minste 1000 leden en de subsidie wordt per kalenderjaar verstrekt.

2.2.2 De subsidie wordt slechts verstrekt voor bepaalde activiteiten die expliciet en limitatief zijn opgenoemd in art. 5 Wspp. Die activiteiten zijn achtereenvolgens:
a. politieke vormings- en scholingsactiviteiten;
b. informatievoorziening;
c. het onderhouden van contacten met zusterpartijen buiten Nederland;
d. het ondersteunen van vormings- en scholingsactiviteiten ten behoeve van het kader van zusterpartijen buiten Nederland;
e. politiek-wetenschappelijke activiteiten;
f. activiteiten ter bevordering van de politieke participatie van jongeren;
g. het werven van leden;
h. het betrekken van niet-leden bij subsidiabele activiteiten van de politieke partij;
i. werving, selectie en begeleiding van politieke ambtsdragers;
j. activiteiten in het kader van verkiezingscampagnes.

2.2.3 De Wspp voorziet in beginsel uitsluitend in subsidiëring van politieke partijen met zetels in de Tweede of Eerste Kamer der Staten Generaal. Voor politieke partijen die in de gemeenteraad zijn vertegenwoordigd is sinds 2009 in totaal € 400.000,-- beschikbaar. Daarop kunnen al deze partijen in Nederland aanspraak, ook de lokale afdelingen van landelijke partijen. Dit subsidiebedrag mag uitsluitend worden besteed aan de opleiding van raadsleden en dus niet aan het voeren van campagnes en aanverwante zaken.

2.2.4 Landelijke partijen hoeven voor hun landelijke verspreide lokale afdelingen maar één aanvraag in te dienen. Zo dient de VVD ten behoeve van al haar lokale afdelingen een aanvraag in. De verdeling van het beschikbare subsidiebedrag vindt vervolgens plaats naar rato van het totaal aantal zetels in gemeenteraden in Nederland. De heer Pastors heeft voor zijn partij Leefbaar Rotterdam in 2009 een aanvraag gedaan van € 20.000,--. Omdat Leefbaar Rotterdam landelijk gezien 14 zetels hebben in gemeenteraden, heeft de partij slechts ca. € 700,-- aan subsidiegeld ontvangen. Volgens de Telegraaf kregen partijen die ook landelijk actief zijn van de Minister € 371.000,-- van de in totaal beschikbare € 400.000,-- (productie 2).

2.2.5 Het huidige standpunt van de Minister is dat eventuele subsidiëring van lokale en regionale politieke partijen primair een taak is van de decentrale overheden zelf. Hierop zal later nader worden ingegaan.

2.3 Ontwikkeling lokale politieke partijen

2.3.1 De landelijke teneur is echter dat – zo blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek en de Kiesraad – het aantal uitgebrachte stemmen op lokale groeperingen in de afgelopen jaren sterk is toegenomen. Zo ging in 1990 17,5 procent van het aantal uitgebrachte stemmen uit naar lokale groeperingen, in 1994 was dat 21,2 procent, in 1998 24,4 procent, in 2002 24 procent en in 2006 23 procent. Lokale politieke partijen leggen dan ook steeds meer gewicht in de schaal binnen de decentrale overheden. Deze ontwikkeling heeft in de afgelopen jaren zowel op politiek niveau als in de rechtspraak herhaaldelijk de vraag opgeroepen of niet ook een op de lokale democratie toegesneden vorm van overheidsondersteuning wenselijk is. Een wijziging van de Wspp zou daarbij voor de hand liggen. Tot op heden heeft dit niet tot een wijziging van de Wspp geleid.

3. Gezien het bovenstaande berust de vordering op de volgende gronden:
a. De Wspp is in strijd met het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 26 IVBPR en met artikel 25 IVBPR;
b. De Wspp is in strijd met de artikelen 18, 20 en 22 VwEU;
c. De wijze van subsidiëren op basis van de Wspp is in strijd met het passief kiesrecht van de overige eisers;
d. Artikel 2 Wspp is in strijd met het doel van de Wspp zelf.

4. Strijd met artikel 25 en 26 IVBPR

4.1 Het gelijkheidsbeginsel wordt internationaal erkend en is verankerd in de artikelen 25 en 26 IVBPR. Artikel 26 IVBPR bevat het verbod van discriminatie. Dit artikel omvat niet slechts het verbod van directe discriminatie, maar tevens het verbod van indirecte discriminatie. Indirecte discriminatie is alleen niet in strijd met artikel 26 IVBPR indien dat onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn (zie in dit verband ook artikel 2 lid 1 Algemene Wet Gelijke Behandeling die tevens als uitwerking van artikel 26 IVBPR kan worden beschouwd).

4.2 Artikel 25, aanhef en onder b, IVBPR garandeert het recht van burgers om zonder onredelijke beperkingen, gekozen te worden door middel ban betrouwbare periodieke verkiezingen die gehouden worden krachtens een algemeen en gelijkwaardig kiesrecht.

4.3 Tot op heden stelt de Staat zich op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel er op zichzelf niet aan in de weg staat dat er criteria worden gesteld voor subsidieverlening, zoals in de Wspp. Volgens de Staat leiden subsidiecriteria er ‘vanzelfsprekend’ toe dat sommige partijen wel en andere niet in aanmerking komen voor subsidie.

4.4 De Staat gaat er evenwel aan voorbij dat het gelijkheidsbeginsel vereist dat de ongelijke behandeling objectief gerechtvaardigd moet zijn, een legitiem doel moet dienen en passend en noodzakelijk moet zijn om dat doel te bereiken. Nergens noch in de Wspp zelf noch in de toelichtende kamerstukken, zijn argumenten te vinden die als objectieve rechtvaardiging kunnen worden aangemerkt. De Wspp maakt onderscheid tussen landelijke politieke partijen en de provinciale koepelorganisatie OSF enerzijds, en de zittende Europese, provinciale en gemeentelijke politieke partijen, de (nog) niet zittende landelijke, Europese, provinciale en gemeentelijke politieke partijen en groeperingen, alsmede de lokale koepelorganisatie VPPG anderzijds. Niet valt in te zien dat de ongelijke behandeling een objectief gerechtvaardigd doel dient en passend en noodzakelijk is om dat doel te bereiken. Zeker gelet op, zoals in het vorige hoofdstuk is besproken, het belang dat aan het bestaan van lokale politieke partijen wordt toegekend. Dit spreekt temeer nu, zoals gezegd er een ontwikkeling waar te nemen is waarbij een verschuiving plaatsvindt van verantwoordelijkheden van het Rijk naar de decentrale overheden.

4.5 Daarbij komt dat grondwettelijk is gekozen voor een regeling van het passief kiesrecht bij organieke wetgeving. Zoals gezegd is naast de uitwerking van artikel 4 Grondwet in de Kieswet, ook nadrukkelijk gekozen voor regelgeving in ten aanzien van dit onderwerp in de Provinciewet en de Gemeentewet. Regelgeving bij andere, bijzondere wetgeving zoals de Wspp is dus in strijd met dit grondwettelijk regime. Het Wspp-regime leidt tot het ongewenste effect van een algemene beperking van het grondrecht op gelijke democratische verkiezingen.

4.6 De enige gerechtvaardigde beperkingen van het passief kiesrecht zijn reeds geregeld in de Kieswet, de Provinciewet en de Gemeentewet. Het daarnaast bij bijzondere wet – lees: Wspp – met nog een (zware) beperking van de gelijkwaardige verkiesbaarheid te komen is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het grondwettelijk verbod van algemene beperkingen van grondrechten, anders dan bij organieke wet. Een dergelijke extra beperking moet als een onredelijk beperking in de zin van artikel 25 IVBPR worden aangemerkt, nu dit artikel zowel door het algemene gelijkheidsbeginsel wordt beheerst, als zelf nog een extra gelijkwaardigheidseis voor het passieve kiesrecht in zich draagt. Overigens geldt dit ook in ernstige mate voor het elders neergelegde beginsel van vrije verkiezingen voor een democratische rechtsstaat, zoals neergelegd in artikel 21 Universele verklaring van de rechten van de mens.

4.7 Meer nog staat het Wspp-regime op gespannen voet met de grondwettelijke gedachte dat regelgeving van provinciale en gemeentelijke organisatie in organieke wetgeving dient te geschieden, zie artikel 132 Grondwet. Het is in strijd met deze gedachte om subsidiering van provinciale en plaatselijke politieke partijen naar eigen inzicht door ieder van deze decentrale overheden zelf te laten regelen.

4.8 Zoals eerder al is aangegeven, is de systematiek van de Wspp niet geschikt voor het bereiken van het beoogde doel. Wanneer op lokaal niveau besloten moet worden of lokale politieke partijen gesubsidieerd moeten worden is het twijfelachtig of de fracties van landelijke partijen die onderdeel uitmaken van de gemeenteraad of provinciale staten in zullen stemmen met een subsidieverordening waarin uitsluitend aan lokale partijen subsidie zouden worden toegekend. Wanneer de subsidie zal terechtkomen bij alle partijen die deelnemen aan de lokale verkiezingen wordt het gevaar van een nog grotere bevoorrechting van landelijke partijen aanmerkelijk groter. Nog daargelaten dat het overlaten van regeling van subsidiering aan lokale politieke partijen de dreiging van die vigerende gemeentelijke verordening zeer reëel is. Niet goed valt in te zien welke objectieve criteria een verschil in subsidiesystemen zouden kunnen rechtvaardigen tussen gemeente a en gemeente b en waarom dus een algemene regeling niet de voorkeur zou verdienen.

4.9 Aldus zijn de VPPG en de overige eisers van oordeel dat het huidige Wspp-regime in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 26 IVBPR. Maar bij de suggestie dat decentrale overheden zelfstandig de subsidieproblematiek van lokale politieke partijen zouden moeten regelen geen reële optie mag heten nu deze systematiek vooralsnog discriminatie althans ongerechtvaardigde ongelijke behandeling en inbreuk op het grondrecht van vrije en gelijkwaardige verkiezingen in de hand werkt op decentraal niveau. Het systeem van de Wspp is dan ook in strijd met artikel 25 en 26 IVBPR.

5. Het gelijkheidsbeginsel en EU-Burgerschap zoals neergelegd in het VwEU

5.1 Ten slotte beroepen de VPPG en de overige eisers zich op het gelijkheidsbeginsel dat is neergelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VwEU). Ook dit wordt volgens de VPPG en de overige eisers geschonden met het huidige Wspp-regime. Het beroep op het VwEU berust op het feit dat een van de eisers, de heer dr. Götz, niet beschikt over de Nederlands nationaliteit maar wel ingezetene is van de EU. Naar zijn oordeel wordt hij benadeeld in zijn passief kiesrecht en wordt het beginsel van gelijke behandeling of non-discriminatie, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, geschonden doordat hij als kandidaat-lid van een lokale partij niet kan profiteren van een aan zijn partij verstrekte subsidie op grond van de WSPP terwijl (niet-)ingezetenen die zich verkiesbaar stellen voor een landelijke politieke partijen wel van een zodanig subsidie kunnen profiteren.

5.2 Dit werkt een ongelijkheid in de hand. Unieburgers die zich voor een gemeenteraad verkiesbaar stellen voor een afdeling van een landelijke partij kunnen via de landelijke partijkas profiteren van de subsidie. Unieburgers die zich aansluiten bij een lokale politieke partij hebben die mogelijkheid niet. Aldus worden de rechten – meer in het bijzonder het passief kiesrecht – van de laatste unieburgers beperkt ten opzichte van de eerstbedoelde unieburgers. Bovendien werkt het huidige Wspp-regime – zoals hiervoor reeds is toegelicht – ongelijkheid in de hand tussen unieburger die zich aansluiten bij lokale politieke partijen tussen gemeenten. Zo is het mogelijk dat een unieburger die zich in Nederland aansluit bij een lokale politieke partij in gemeente A wel subsidie ontvangt, terwijl een unieburger die zich in Nederland aansluit bij een vergelijkbare lokale politieke partij in gemeente B geen subsidie ontvangt.

5.3 Artikel 20 VwEU (artikel 17 EG) roept het unieburgerschap in het leven. Unieburger is eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het unieburgerschap vult het nationale burgerschap aan, maar komt daarvoor niet in de plaats. Volgens 20, tweede lid VwEU genieten EU-burgers de rechten en zijn zij onderworpen aan de plichten die de Verdragen vaststellen.

5.4 In het kader van deze procedure gaat de aandacht met name uit naar artikel 22, eerste lid, VwEU. Daarin is bepaald dat aan EU-burgers het passief kiesrecht toekomt voor gemeenteraadsverkiezingen in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn, onder dezelfde voorwaarden als aan de onderdanen van die lidstaat. Dit recht is ook verankerd in artikel 130 Gw: De wet kan het recht lid van een gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen, die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn. Dat wil zeggen dat de leeftijd van 18 jaar moet zijn bereikt en men niet ontzet mag zijn ontzet van het kiesrecht bij rechterlijke uitspraak.

5.5 Het passief kiesrecht van niet-Nederlandse unieburgers is voorbehouden voor de gemeenteraadsverkiezingen. Kiesrecht van niet-Nederlanders voor de leden van Provinciale Staten is afgewezen, omdat deze leden de Eerste Kamer kiezen, waardoor niet-Nederlanders invloed zouden krijgen op het op nationaal niveau gevoerde beleid, waaronder het buitenlands– en defensiebeleid.

5.6 Artikel 18 VwEU bepaalt dat elke vorm van discriminatie op grond van nationaliteit is verboden. Ook dit artikel heeft een lange historie in de Communautaire verdragen, laatstelijk als artikel 12 EG.

5.7 Voor ogen moet worden gehouden dat het unieburgerschap ruim moet worden opgevat. In verschillende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ-EG) is bepaald dat het unieburgerschap in alle ruimte en vrijheid moet kunnen worden uitgeoefend, zonder belemmeringen en dat unieburgers die niet-ingezetenen zijn van een lidstaat, dezelfde rechten toekomen als burgers die dat wel zijn.

5.8 Zoals gezegd belemmert het Wspp-regime het passief kiesrecht van kandidaten voor lokale politieke partijen. Dit geldt ook voor unieburgers die zich aansluiten bij een lokale politieke partij of deze willen oprichten. Deze worden benadeeld ten opzichte van (niet-) ingezeten unieburgers die zich verkiesbaar stellen voor een landelijke politieke partij. De laatste ontvangen via interne geldstromen subsidie. Unieburgers die zich aansluiten bij een lokale politieke partij ten behoeve van de gemeenteraadsverkiezingen hebben echter niet de mogelijkheid om via een provinciale of landelijke partijtop subsidiegelden te ontvangen op grond van de Wspp. Dit levert een schending op van het Gemeenschapsrecht, meer specifiek een beperking van het unieburgerschap.

5.9 Bovendien kunnen unieburgers die zich aansluiten bij een landelijke partij zich via interne geldstromen op grond van de Wspp bekwamen en ontwikkelen op de gebieden ten behoeve waaraan krachtens artikel 5 Wspp subsidie wordt verstrekt. Dat geldt niet voor unieburgers die zich bij een uitsluitend op lokaal niveau opererende politieke partij aansluiten. Ook op dit punt wordt dus het unieburgerschap van de laatste Unieburgers beperkt, bestaat er strijd met het gelijkheidsbeginsel en daarmee met het gemeenschapsrecht.

5.10 In dit verband zij verwezen naar de uitspraak van het Hof van Justitie EG van 12 september 2006, nr. C-300/04. Deze uitspraak biedt een kader op grond waarvan de schending van het gelijkheidsbeginsel naar Gemeenschapsrecht kan worden vastgesteld. Uit deze uitspraak kan worden opgemaakt dat vergeleken moet worden tussen ingezeten EU-burgers, die geen Nederlander zijn die zich aansluiten bij een lokale politieke partij en ingezeten EU-burgers, die geen Nederlander zijn die zich aansluiten bij een lokale afdeling van een landelijk politieke partij.

5.11 Beide EU-burgers hebben gemeen dat zij geen Nederlandse onderdanen zijn, maar wel op het grondgebied van Nederland verblijf houden. Niettemin is er sprake van een ongelijke behandeling tussen deze EU-burgers, nu de tweede persoon bij de uitoefening van zijn passief kiesrecht via zijn partij subsidie ontvangt, terwijl de eerste deze subsidie niet krijgt. Voor een dergelijk verschil in behandeling is een objectieve rechtvaardiging vereist.

5.12 In dit verband valt het door de Staat met artikel 130 Gw, de Kieswet en de Wspp nagestreefde doel, dat erin bestaat om ook aan EU-burgers die niet-Nederlander zijn het passief kiesrecht toe te kennen en daartoe gezonde financiële basis te bieden, binnen de beoordelingsmarge waarover de wetgever beschikt voor de organisatie van de verkiezingen. Niettemin dient te worden vastgesteld dat de Staat niet aantoont dat het verschil in behandeling dat bestaat tussen Unieburgers die zich aansluiten bij een lokale politieke partij en EU-burgers die zich aansluiten bij een landelijke partij, objectief gerechtvaardigd is en derhalve geen schending van het beginsel van gelijke behandeling oplevert. Verwezen zij naar hetgeen in dit verband in paragraaf 2.1 is opgemerkt.

Conclusie

5.13 Hoewel zich er dus niets tegen verzet dat lidstaten onder eerbiediging van het gemeenschapsrecht voor EU-burgers voorwaarden aan het passief kiesrecht stellen op basis van dezelfde criteria als die gelden voor Nederlandse ingezetenen – nadrukkelijk ook met betrekking tot het Wspp-regime – staat het beginsel van gelijke behandeling eraan in de weg dat de gekozen criteria meebrengen dat onderdanen die zich in vergelijkbare situaties bevinden, zonder objectieve rechtvaardiging ongelijk worden behandeld. Dat de heer Götz, die verblijf houdt in maar geen onderdaan is van Nederland zijn passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen niet onder dezelfde voorwaarden kan uitoefenen als ieder andere onderdaan en/of EU-burger, is dus in strijd met het gemeenschapsrecht.

6. Inbreuk op het passief kiesrecht van de overige eisers.

6.1 De VPPG en de overige eisers stellen echter dat met het bovenstaande wordt echter miskend dat de trend van een dalend aantal leden, de daarmee gepaard gaande daling van inkomsten en tegelijkertijd een toename van de uitgaven, zich ook voordoet bij lokale politieke partijen.

6.2 Voorts miskent de Minister dat een vitale lokale democratie ook van rijksbelang is en dat op dit punt terdege een rijksverantwoordelijkheid bestaat. Het belang van de lokale democratie is de laatste jaren toegenomen. Aan gemeenten worden steeds meer taken
opgedragen. Deze ontwikkeling gaat gepaard met een terugtred van de rijksoverheid. Lokale politieke partijen vormen in het licht van deze ontwikkeling een volwaardig onderdeel van het democratische bestel. Een en ander is al in een door de Tweede-Kamer aangenomen motie tot wijziging van de Wspp aangevoerd. De motie van het lid Dubbelboer, Kamer II 29869, vergaderjaar 2004-2005, nr. 14.

6.3 Volgens de VPPG en de overige eisers miskent de Minister verder dat er door het huidige Wspp-regime op decentraal niveau een scheefstand ontstaat op het gebied van de kansverdeling en machtsverdeling tussen landelijke politieke partijen en uitsluitend lokale politieke partijen. Op gemeentelijk niveau – zo blijkt in de praktijk – versterken landelijke politieke partijen namelijk hun lokale identiteit en vergroten zij hun invloed door een deel van de Wspp-subsidie in te zetten voor hun lokale afdelingen. Dit gebeurt met name ten behoeve van de activiteiten zoals genoemd in artikel 2.1.7. Wspp, sub a, b, f, g, h, i en j, zo blijkt onder meer uit een email van de voorzitter van de PvdA afdeling der gemeente Vaals d.d. 14 februari 2010 (productie 3). Deze mogelijkheid hebben politieke partijen die uitsluitend lokaal zijn georganiseerd niet. Dit creëert een ongelijke verhouding tussen landelijke en lokale politieke partijen, waarbij de laatste op achterstand komen te staan ten opzichte van hun landelijke concurrenten. Gezien de hiervoor geschetste ontwikkeling, bestaat er volgens de VPPG en de overige eisers geen enkele rechtsgrond om deze ongelijke verhoudingen te handhaven.

6.4 De huidige praktijk kan volgens de VPPG en de overige eisers niet objectief worden gerechtvaardigd met de gedachte dat het Rijk verantwoordelijk is voor de politiek op Rijksniveau en de Provincies en Gemeenten verantwoordelijk zijn voor de politiek op decentraal niveau, zoals de Minister tot op heden volhoudt. Het is volgens de VPPGen de overige eisers namelijk niet aannemelijk dat er Provincies en Gemeenten regels vaststellen op grond waarvan uitsluitend lokale politieke partijen gesubsidieerd worden, met uitsluiting van de reeds door de Rijksoverheid gesubsidieerde landelijke partijen. En overigens wijst de praktijk uit dat zulks ook niet gebeurd. Dit blijkt onder meer uit bijgevoegd schrijven van het college van Burgemeester en Wethouders der gemeente Heerenveen d.d. 9 februari 2009 naar aanleiding van een subsidieaanvraag door de heer Van Dijk voor zijn lokale politieke partij: Vereniging Gemeentebelangen Heerenveen (productie 4).

6.5 Los daarvan: welke fractie in de Provinciale Staten of Gemeenteraad, verbonden aan een landelijke politieke partij zou ooit instemmen met een verordening die erop neerkomt dat slechts enkele in datzelfde orgaan vertegenwoordigde partijen in aanmerking komen voor subsidie, en alle overige niet?

6.6 Zelfs als er wel een regionale of lokale subsidieregeling zou worden ingevoerd voor alle regionaal en/of lokaal opererende politieke partijen, ongeacht of deze ook landelijk vertegenwoordigd zijn, dan nog blijft de ongelijkheid bestaan. Ook dan nog kunnen namelijk landelijke partijen hun Wspp-subsidie op lokaal niveau blijven inzetten. In dat geval krijgen de niet-landelijke partijen weliswaar subsidie maar dat geldt ook voor de reeds gesubsidieerde landelijk opererende partijen. De laatste verkrijgen dan dus twee keer subsidie, direct en indirect, waardoor de ongelijkheid blijft bestaan.

6.7 Volgens de en de overige eisers worden lokale partijen met het huidige Wspp-regime dus hoe dan ook benadeeld ten opzichte van hun landelijke concurrenten. De ongelijke kansen op lokaal niveau worden hierdoor verscherpt, hetgeen strijd oplevert met het beginsel van gelijke kansen (Chancengleichheit) en daarmee met artikel 4 Gw. Op deze manier wordt de legitimiteit van de uitkomst van het politieke debat op lokaal niveau ondermijnd. Het passief kiesrecht voor kandidaten van lokale partijen wordt niet op gelijke voet behandeld met dat van kandidaten van hun landelijk opererende concurrenten.

7. Strijd met het doel van de Wspp

7.1 Bovendien achten de VPPG en de overige eisers het huidige Wspp-regime in strijd met haar eigen doelstelling, en overigens ook het passief kiesrecht in het algemeen. Zoals ook de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) bij uitspraak van 5 december 2007 heeft overwogen – is met de Wspp beoogd een ten aanzien van het functioneren van politieke partijen voorwaardenscheppende rol te vervullen. De subsidie dient niet in de eerste plaats de betreffende politieke partij, maar het algemeen belang dat gediend is bij een brede weerspiegeling van maatschappelijke en religieuze stromingen in de maatschappij. Door lokale politieke partijen van subsidie uit te sluiten komt de beoogde pluriformiteit en integriteit onder druk te staan. Immers, lokale politieke partijen die in financiële problemen geraken resten twee mogelijkheden: ofwel zij houden op te bestaan, ofwel zij laten zich sponsoren. De beoogde brede weerspiegeling en onafhankelijkheid neemt hierdoor af.

Rechtsvergelijking

7.2 In verband met de twee voorgaande punten zij gewezen op het systeem dat Duitsland hanteert bij de subsidiëring van politieke partijen. Dit komt gedeeltelijk overeen met het Nederlandse systeem, zij het dat het democratisch bestel in Duitsland verschilt van het Nederlandse bestel. De Duitse rechtspraak heeft zich op dit onderwerp evenwel verder ontwikkeld dan de Nederlandse.

7.3 In 1998 deed het Hof van het Bundesverfassungsgericht uitspraak naar aanleiding van een Verfassungsbeschwerbe van een lokale politieke partij . Het Hof verklaarde de klacht wegens onvoldoende onderbouwing niet-ontvankelijk. Volgens het Hof was namelijk onvoldoende duidelijk of en zo ja in hoeverre overheidsubsidies aan partijen die op bonds- en landsniveau actief waren, werden doorgeschoven naar hun plaatselijke afdelingen. Overigens was een ongelijke behandeling op lokaal niveau door klager onvoldoende concreet beargumenteerd. Ten slotte was niet vast komen te staan dat het ontbreken van een overheidsubsidiëring voor klager had geleid tot een “Ernsthaft ins Gewicht fallenden Veränderung der Wettbewerbslage” ten nadele van klager en ten voordele van de lokale afdelingen van de bonds- en landspartijen. Een nieuwe klacht van dezelfde lokale partij werd in 2003 wederom niet ontvankelijk verklaard.

7.4 Hoewel deze uitspraken uiteindelijk tot niets hebben geleid, bieden zij aanknopingspunten om de ongeoorloofdheid van het uitsluiten van lokale partijen van subsidiëring aan te tonen. De klachten werden namelijk uitsluitend niet ontvankelijk verklaard omdat klager onvoldoende had onderbouwd wat de effecten van het wel subsidiëren van bonds- en landspartijen waren voor de niet gesubsidieerde lokale partijen. Zou – zo mag worden aangenomen – zijn aangetoond dat de bonds- en landspartijen een deel van hun subsidie gebruikten voor de activiteiten van hun plaatselijke afdelingen en dat hierdoor de ‘Wettbewerbslage’ aanzienlijk veranderde ten nadele van de lokale partijen, dan had het Bundesverfassungsgericht waarschijnlijk een schending van de Chancengeleichheit vastgesteld.

7.5 Volgens het Bundesverfassungsgericht geldt het gelijkheidsbeginsel (Chancengeleichheit) nadrukkelijk niet alleen voor politieke partijen op bonds- en landsniveau maar ook voor andere groepen en deelnemers die met politieke partijen de strijd om de stem van de kiezer aanbinden. Hieronder vallen uitdrukkelijk ook de lokale partijen. Zo oordeelde het Bundesverfassungsgericht reeds in 1988 dat “der füllige Ausschluss der kommunale Wählervereinigungen von Steuerlichen Entlastungen (…) mit dem Grundgesetz nicht vereinbar (ist)“. Het constateerde daarom een schending van het recht op Chancengeleichheit van de klager, een lokale politieke partij. In 1998 oordeelde het Bundesverfassungsgericht dat ook het feit dat lokale partijen en hun overkoepelende organisaties in tegenstelling tot de bonds- en landspartijen niet werden vrijgesteld van vennootschaps- en vermogensbelasting in strijd was met het recht op Chancengeleichheit. Het Bundesverfassungsgericht stelde zelfs vast dat de ongelijke behandeling in dit geval de concurrentieverhouding tussen de bonds- en landspartijen enerzijds en de kommunale Wählervereinigungen anderzijds “in ernsthaft ins Gewicht fallender Weise” veranderde. Voor deze ongelijke behandeling bestond volgens het Hof geen enkele rechtvaardigingsgrond.

7.6 In artikel 4 Gw is net als in het Duitse Grundgesetz het beginsel van gelijke kansen (Chancengleichheit) verankerd. De Wspp maakt inbreuk op dit beginsel doordat het passief kiesrecht afdelingen van landelijke politieke partijen wordt bevoordeeld ten opzichte van uitsluitend lokaal georganiseerde politieke partijen. Lokale politieke partijen geraken hierdoor in een nadelige positie waarmee de legitimiteit van de uitkomst van – in casu – gemeenteraadsverkiezingen worden ondermijnd. Deze praktijk heeft de ABRvS in de beruchte SGP-zaak afgekeurd. Daarin overwoog de afdeling onder meer dat politieke partijen in het algemeen niet door de uitsluiting van subsidie op grond van de Wspp ten opzichte van andere partijen in een nadelige positie mogen geraken, waarmee de legitimiteit van de uitkomst van het parlementaire debat wordt ondermijnd. De Wspp wil volgend de ABRvS namelijk niet in de eerste plaats de betreffende politieke partijen maar het algemeen belang dat gediend is bij een brede weerspiegeling van allerlei maatschappelijke en religieuze stromingen in onze maatschappij bevorderen.

7.7 Gelet op het voorgaande maakt het Wspp-regime aldus inbreuk op het passief kiesrecht, doordat het landelijke politieke partijen worden bevoordeeld ten opzichte van uitsluitend lokaal georganiseerde politieke partijen. Lokale politieke partijen worden hierdoor benadeeld en hebben niet dezelfde kansen als hun landelijke concurrenten. Met het Wspp-regime schendt de Staat het passief kiesrecht en het recht op gelijke kansen, zoals dat is verankerd in het hierna te bespreken gelijkheidsbeginsel.

8. Belang van de eisers bij de onderhavige procedure.

8.1 De VPPG heeft zoals gezegd als statutaire doelstelling de belangenbehartiging van de
lokale politiek groeperingen, ongeacht hun politieke kleur en opstelling. Op grond van artikel 3:305a BW kan een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover hij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt, mits hij heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met gedaagde te bereiken. De VPPG heeft meermalen met de Staat overleg gevoerd. Dit heeft echter niet geleid tot enig resultaat. Het inherente belang van de VPPG om de ongelijke behandeling van lokale politieke partijen ten opzichte van landelijk politieke partijen te beëindigen is evident.

8.2 De overige eisers worden direct getroffen door het gebrek aan subsidie die aan hun partijen worden onthouden. Hun belangen zijn dan ook evident.

8.3 Mocht de Staat verzoeken uw rechtbank De VPPG en de overige eisers niet ontvankelijk te verklaren, aangezien zij een subsidie kunnen aanvragen en bij de bestuursrechter tegen een eventuele weigering hiervan in beroep kunnen gaan, dan wijzen de VPPG en de overige eisers op het volgende.

8.4 De VGGP noch de overige eisers hebben, gezien de criteria van de Wspp een reële mogelijkheid om subsidie aan te vragen en een afweging van de betroffen belangen te verkrijgen. Dit blijkt ook duidelijk uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak die een subsidieaanvraag van de VPPG op deze gronden heeft afgewezen zonder andere argumenten in overweging te nemen. De overige eisers hebben als kandidaat-leden van de gemeenteraad en leden van lokale politieke partijen evenmin recht op subsidie op basis van deze wet. Voor hen staat de bestuursrechtelijke weg evenmin open.

8.5 In dit verband wijzen de VPPG en overige eisers op het arrest van het Hof Den Haag van 20 december 2007. In dit arrest overweegt het Hof het volgende:

“Daarbij is van belang dat de door Clara Wichmann c.s. ingestelde vordering naar het oordeel van het hof strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen, dat wil zeggen belangen die niet van persoon tot persoon verschillen, die zich lenen voor bundeling. Het gaat daarbij immers om het belang van eenieder bij handhaving van overheidswege van het verbod op discriminatie op grond van geslacht jegens de SGP, een politieke partij die naar Clara Wichmann c.s. stellen vrouwen discrimineert. Deze belangen zijn voldoende gelijksoortig om deze tot inzet van een collectieve actie te kunnen maken. Het belang van een effectieve rechtsbescherming brengt ook mee dat een collectieve actie in dit geval mogelijk is, omdat aannemelijk is dat individuele personen moeite zouden hebben met het aantonen van een (voldoende) eigen belang of bijvoorbeeld op grond van kostenoverwegingen niet snel tot het aanhangig maken van een eigen procedure zullen overgaan.”’

8.6 In casu gaat het hier, zoals gezegd, om de collectieve belangenbehartiging door de VPPG van belangen van politieke groeperingen die alleen gelijksoortig belang hebben, waarbij het belang van een effectieve rechtsbescherming er toe noodzaakt om een vordering tot het opheffen van discriminatie dan wel strijd met de wet en het VwEU noodzakelijk te maken.

9. Substantiëringsplicht

9.1 Van de zijde van de Staat is geen rechtens relevant verweer bekend. Voor zover het standpunt van de Staat overeenkomt met dat van de Minister, zoals dat hiervoor onder 2.1 is verwoord, verwijzen de VPPG en de overige eisers voor haar weerlegging naar het voorgaande.

10. Bewijsaanbod en –aandraagplicht

10.1 De VPPG en de overige eisers bieden bewijs aan van al haar stellingen door middel van
alle middelen rechtens, zonder evenwel onverplicht enige bewijslast op zich te willen nemen die niet ingevolge de wet -en meer in het bijzonder ingevolge art. 150 Rv- of bewijslastverdeling naar billijkheid op haar rust. Onder dit voorbehoud bieden de VPPG en de overige eisers bewijs aan van haar stellingen dat lokale politieke partijen benadeeld worden ten opzichte van landelijke politieke partijen, doordat deze landelijke partijen subsidiegelden die zij ontvangen op grond van de Wspp ook gebruiken voor verkiezingen van leden van Provinciale Staten en Gemeenteraden.

10.2 De VPPGen de overige eisers kunnen in ieder geval voorts ter staving van zijn stellingen beschikken over de als productie 1 t/m 4 overgelegde bewijsmiddelen en kan de navolgende getuigen doen horen ter staving van de betwiste gronden van de eis:
- J. van Agteren, kandidaat raadslid (lijsttrekker) Burgerbelangen Enschede;
- H. E.J. Wensing, kandidaat raadslid PLOP Assen;
- dr. G.K.E. Götz, kandidaat raadslid Betaalbaar & Duurzaam Vaals;
- M.G.Th. Pastors, kandidaat raadslid (lijsttrekker) Leefbaar Rotterdam;
- V.H. Kloos, kandidaat raadslid (lijsttrekker) Onafhankelijke Partij Alkmaar;
- H.B.G. Ketting, kandidaat raadslid Leefbaar Utrecht;
- W. Hoogendijk, kandidaat raadslid Gemeentebelang Bergambacht;
- E. L. Bom, kandidaat raadslid (lijsttrekker) Inwonersbelangen Woerden;
- C.M.J.E.C. Wintraecken-van Banning, kandidaat raadslid VVD Lochem;
- T.P.E. van Kerkhof, kandidaat raadslid Gemeentebelangen Apeldoorn;
- drs. B.G. Euser; kandidaat raadslid (Lijsttrekker) Echt voor Albrandswaard;
- D.M.L. Vuijk, kandidaat raadslid namens Breda'97;
- R. Barends, kandidaat raadslid (lijsttrekker) Lijst Barends Nijmegen; en
- Dhr. S.G. Wierda; kandidaat raadslid Lijst Barends Nijmegen.

MITSDIEN

dat het Uw Rechtbank behage bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te veroordelen om:

I. Primair: voor recht te verklaren dat de Staat door het vaststellen en het in stand laten van artikel 2 Wspp in strijd handelt met het doel van deze wet zoals toegelicht in de MvT bij de Wspp (TK 1997-1998 25 704 nr. p. 3-4, dan wel met de artikelen 18, 20 en 22 VwEU, dan wel met de artikelen 25 en 26 IVBPR.

II. De Staat te veroordelen tot het buiten toepassing laten van artikel 2 Wspp wegens strijd
met de artikelen 18, 20 en 22 VwEU, dan wel met de artikelen 25 en 26 IVBPR.

III. Subsidiair: de Staat te veroordelen tot het voorkomen van toekomstige schade door het
nemen van positieve maatregelen, dan wel de Staat te veroordelen tot het vergoeden van toekomstige schade

IV. De Staat te veroordelen in de kosten van deze procedure.

zulks met verwijzing van gedaagde in de kosten van het geding, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis en, voor het geval betaling daarvan niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf die termijn voor voldoening.

Kosten dezes zijn voor mij, deurwaarder EUR



De zaak is in behandeling bij mw. Prof. mr. E. Steyger en mr. F.A. Pommer onder dossiernummer 218485, Postbus 396, 5201 AJ 's-Hertogenbosch, T: +31 (0)73 616 11 19